• Buro Jansen & Janssen, gewoon inhoud!
    Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, overheid in Nederland en de EU kritisch volgt. Een grond- rechten kollektief dat al 40 jaar, sinds 1984, publiceert over uitbreiding van repressieve wet- geving, publiek-private samenwerking, veiligheid in breedste zin, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Migratie

  • Politieklachten

  • fort2_67

    131 personele  samenstelling  dan  tot  dan  toe  was  voorgesteld.  Zijn  concrete  voorstel  was  de  twee  opties een keer tezamen met het LBOM, de CRI en het LRT te bespreken. Daarna diende “een en ander” te worden afgestemd op de tussenrapportage van spoor 1 in maart 1997. Ook de samenwerking met de rijksrecherche en mogelijke andere teams binnen spoor 1 diende in dat overleg aan de orde te komen. Op    10    maart    1997    vond    er    periodiek    afstemmingsoverleg    plaats    tussen    Holthuis    en    de teamleidingen  van  spoor  1  en  spoor  2.  Blijkens  het  journaal  van  spoor  2  vroeg  Holthuis  bij  deze gelegenheid  aan  Godlieb  om  de  inbedding  van  het  team  verder  te  regelen  met  de  korpschef  van  het KLPD, De Wijs.226  Holthuis  zelf  schreef  naar  aanleiding  van  deze  bijeenkomst  op  19  maart  1997  een brief  aan  Docters  van  Leeuwen  waarin  hij  onder  meer  verwees  naar  het  onderhoud  tussen  hem, Zwerwer en Godlieb d.d. 26 februari en hem verzocht ermee in te stemmen dat het team onder leiding van Zwerwer op basis van de nota die deze naar aanleiding van dit onderhoud had opgesteld feitelijk aan het werk zou gaan.227 Het antwoord van Docters van Leeuwen d.d. 27 maart 1997 was niet mis te verstaan.  Om  te  beginnen  verweet  hij  Holthuis  dat  hij  zijn  brief  aan  hem  en  niet  aan  Gonsalves  als portefeuillehouder  had  gestuurd:  “Het  feit  dat  ik  eerder  met  de  heren  Zwerwer  en  Godlieb  over  dit onderwerp heb gesproken doet hier niets aan af”. Vervolgens wees hij erop dat de weergave van het gesprek  in  de  nota-Zwerwer  “niet  helemaal  juist”  was.228   In   dat   gesprek   had   hij   aangegeven,   zo schreef  hij,  dat  het  strafvorderlijk  kader  van  het  onderzoek  bleef  zoals  het  was  vastgesteld.  Tevens had  hij  aangegeven  dat  hij  er  begrip  voor  had  dat  van  de  informatie  die  uit  onderzoek  naar  voren kwam,   nog   niet   kon   worden   bepaald   of   deze   binnen   het   opgedragen   kader   viel   (hoorden   alle puzzelstukjes wel bij dezelfde puzzel). Meer in het algemeen had hij, zo vervolgde hij, gewezen op de noodzaak  om  normale  kaders  te  kiezen  die  zonneklaar  maakten  dat  men  niet  met  de  voorfase  van een justitiële inlichtingendienst bezig was. Veel loste deze discussie echter niet op volgens Van Gemert229: “Het  was  heel  moeilijk  om  met  spoor  2  samen  te  werken.  Ik  kon  alleen  vanuit  de  politielijn het  een  en  ander  afdwingen.  Maar  in  de  justitielijn  lukte  het  niet  om  afspraken  feitelijk  tot uitvoering te brengen. Een van de problemen was de omgang met informanten. Wij vonden op    een    bepaald    moment    dat    het    spoor-2-onderzoek    veel    te    dicht    kwam    bij    ons opsporingsonderzoek.  Ik  heb  toen  vanuit  de  politielijn  Godlieb  erbij  gehaald  en  gezegd  dat het zo wat mij betreft niet langer kon. Dat heeft ook daadwerkelijk geleid, bij het college, tot een inperking van het onderzoek van spoor 2 en indirect heeft dat ook weer ertoe geleid dat Godlieb zich terugtrok. Maar omdat het zo werd ingeperkt kwam het ook weer heel dicht bij het strafrechtelijk onderzoek en dat wilde ik niet. Ik heb altijd op het standpunt gestaan: “laat de  BVD  dit  veiligheidsonderzoek  maar  doen”.  Ik  wilde  dit  onderzoek  niet  voegen  met  het strafrechtelijk onderzoek.” 5.4 De concrete onderzoeksactiviteiten van spoor 2 In  het  licht  van  de  aanhoudende  perikelen  met  betrekking  tot  de  opdracht  van  spoor  2  is  het  niet verwonderlijk dat het voor de teamleiding moeilijk was om de onderzoeksactiviteiten van de teamleden systematisch  te  organiseren.  Zo  werd  er  bijvoorbeeld  in  de  loop  van  januari  1997  een  systeem  met werkopdrachten ontwikkeld maar dit systeem werd in de praktijk niet ten volle gehanteerd.230                                                 226 Dagjournaal “Argus team” d.d. 10 maart 1997 (F7). 227 Brief H. Holthuis d.d. 19 maart 1997 aan A. Docters van Leeuwen (F18). 228 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 27 maart 1997 aan H. Holthuis (F18). 229 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001. 230 In totaal werd er 177 opdrachten in vraagvorm geformuleerd. Blijkens onze gegevens werden er slechts enkele volgens het betrokken systeem beantwoord (F8).

    fort2_68

    132 De methode die wel min of meer systematisch werd toegepast was die van het interview. In totaal werden   er   in   de   periode   20   december   1996   –   14   februari   1997   22   interviews   afgenomen   van politiemensen – vooral hoofden van divisies georganiseerde criminaliteit of criminele inlichtingendiensten – en ervaren (zaaks- en/of CID-)officieren van justitie. Er waren er aanvankelijk 28 gepland.  Van  al  deze  interviews  –  voor  het  grootste  deel  opgebouwd  rond  de  stellingen  die  in  de plannen  van  aanpak  waren  neergezet  –  werd  een  proces-verbaal  opgemaakt;  de  verslagen  van  de interviews werden er als bijlagen aan toegevoegd.231  De  lengte  van  deze  verslagen  varieert  nogal  en ook hun inhoud. In sommige verslagen worden bij bepaalde zaken man en paard genoemd, in andere blijft het veeleer bij algemeenheden; er zijn er echter ook waarin beide voorkomen. De ene keer wordt veelvuldig  verwezen  naar  andere  personen  die  meer  zouden  afweten  van  bepaalde  verwonderlijke kwesties,   de   andere   keer   blijft   dit   soort   verwijzingen   zo   goed   als   achterwege.   Wat   de   verslagen natuurlijk  gemeen  hebben,  zijn  de  blijken  van  grote  interesse  van  de  interviewers  voor  niet-integere en/of  corruptieve  relaties  van  politiemensen,  justitiefunctionarissen,  advocaten,  medewerkers  van  de douane   en   ook   wel   leden   van   het   openbaar   bestuur.   Tientallen   (verhalen   over)   voorbeelden   van (mogelijks)  zulke  relaties  werden  tijdens  de  interviews  genoemd.  Waarbij  moet  worden  aangetekend dat  geen  enkele  keer  bewijs  werd  aangedragen  voor  grootschalige  of  indringende  corruptie  bij  de overheid   of   aan   de   kant   van   individuele   ambtenaren.   Diverse   van   de   meer   belangrijke   gevallen werden trouwens ook reeds in het kader van de werkzaamheden van de Commissie-Van Traa openlijk en  binnenkamers  genoemd  of  zijn  anderszins  –  via  de  normale  perskanalen  –  bekend  geworden. Overigens  werd  in  diverse  rapporten  wel  gewezen  op  mogelijk  belangrijke  bronnen  van  corruptie, bedenkelijke contacten met criminelen en ondoorzichtige subsidieregelingen. De verslagen van de teamvergaderingen die op gezette tijden – om de week, meestal echter om de  twee  en  soms  drie  weken  –  werden  gehouden,  verschaffen  eveneens  een  beeld  van  de  al  met  al schaarse onderzoeksactiviteiten die door het (kleine) team werden ondernomen. Hieruit blijkt dat er op een  gegeven  moment  over  werd  gedacht  om  dossiers  over  onder  meer  advocaten  samen  te  stellen. Verder werd gepoogd inzicht te krijgen in de rol van buitenlandse inlichtingendiensten op Nederlandse bodem.  Ook  wordt  af  en  toe  gemeld  dat  er  bezoeken  werden  afgelegd  bij  andere  teams  zoals  het Prisma-team in Den Haag. Geregeld werd er interesse aan de dag gelegd voor het fenomeen van de liquidaties.  En  bij  gelegenheid  werden  er  kennelijk  eveneens  meer  strategische  kwesties  besproken. Begin maart 1997 rees bijvoorbeeld de vraag of het team zich toch niet meer op de periode voor 1992 moest richten. Volgens een van de deelnemers lag “daar de oplossing”.232 Ook   het   dagjournaal   van   het   Argus   team   dat   tot   11   maart   1997   onder   deze   naam   werd bijgehouden,  werpt  enig  bijkomend  licht  op  de  onderzoeksactiviteiten.233  Wat  het  onder  meer  beter dan  de  vergaderverslagen  laat  zien,  zijn  zowel  de  moeilijkheden  die  het  team  ondervond  bij  de  start van   zijn   onderzoek   als   de   medewerking   die   het   op   andere   plaatsen   ondervond.   Zo   werd   op   12 december  1996  gemuteerd  dat  het  bezoek  van  de  leiding  van  het  LRT  en  spoor  1  aan  het  kernteam Amsterdam  “ook  voor  spoor  2  een  blokkade  (met  instemming  van  hoofdofficier  Amsterdam)”  had opgeleverd. Daarentegen werd op 20 december 1996 vastgelegd dat het interview met de leiding van de  recherchedienst  in  Gooi-  en  Vechtstreek  plezierig  verliep.  Op  27  januari  1997  bleek  echter  dat  dit gesprek   de   nodige   deining   had   veroorzaakt   en   moest   worden   stilgelegd.   Het   interview   met   een bepaalde  officier  van  justitie  had  dan  wel  weer  onbelemmerd  kunnen  plaatsvinden  en  veel  informatie gegenereerd.  Tevens  laat  dit  journaal  zien  dat  het  team  –  kennelijk  in  het  verlengde  van  de  eerder gemaakte afspraken – af en toe van de CRI inderdaad de beschikking kreeg over uiterst vertrouwelijke informatie. In aansluiting hierop kan worden vastgesteld dat Zwerwer in de loop van januari 1997 werd betrokken bij besprekingen met een informant die door de CRI zouden worden “begeleid”.                                                 231 De onderhavige processen-verbaal en verslagen zijn opgenomen in een apart bestand “Interviews “Argus team” (F7). 232 Deze verslagen bevinden zich onder meer in F11. 233 Dit journaal bevindt zich in F7.

    fort2_69

    133 Godlieb  maakte  eind  februari  een  begin  met  het  eindverslag  over  de  werkzaamheden  van  het team.  Dit  verslag  zelf  is  er  uiteindelijk  evenwel  niet  gekomen.234  Er  ligt  alleen  een  “Inleiding  tot  het verslag fase 1” die dateert van 25 februari 1997 en die door Godlieb werd toegestuurd aan Holthuis en Gonsalves.  In  de  aanbiedingsbrief  aan  Gonsalves  hield  hij  het  bij  een  paar  zakelijke  opmerkingen zoals  de  opmerking  dat  een  groot  gedeelte  van  de  bevindingen  wel  geen  direct  verband  hield  of  leek te   houden   met   de   onderzoeksopdracht   zoals   die   onlangs   was   geherformuleerd,   maar   dat   hij   ze niettemin  niet  aan  het  college  van  procureurs-generaal  wilde  onthouden.235  In  zijn  aanbiedingsbrief aan  Holthuis  –  die  overigens  een  dag  later  werd  doorgefaxt  aan  Gonsalves  –  maakte  Godlieb  echter van  zijn  hart  niet  bepaald  een  moordkuil.  Hij  maakte,  zo  schreef  hij  in  het  begin,  de  inleiding  “met enige  gemengde  gevoelens”  over  maar  bood  niettemin  aan  het  slot  –  met  het  nodige  gevoel  voor understatement     –     gaarne     zijn     diensten     aan     voor     het     op     enigerlei     wijze     voortzetten     van inlichtingenwerk,  want  uiteindelijk  was  dat  zijn  drijfveer  geweest  om  IJsselland  te  verlaten,  zoals  ook voor enkele andere leden van het team.236 In  deze  inleiding  werd  allereerst  vrij  uitvoerig  stilgestaan  bij  al  de  moeilijkheden  die  hiervoor werden  besproken.  Vervolgens  werden  bondig  de  onderzoeksresultaten  van  fase  1  samengevat.237 Enkele belangrijke punten in deze samenvatting zijn: — dat  er  in  het  politieveld  een  “meer  dan  nadrukkelijke  behoefte  aan  het  adequaat  oppakken  van signalen over corruptie, lekken van informatie, ongewenste contacten etc. door/van politieambtenaren” bestond; — dat  de  werkwijze  van  het  team  “tot  bijzondere  resultaten  kan  leiden  is  nadrukkelijk  gebleken;  zo werden  de  onderzoekers  op  basis  van  vertrouwen  deelgenoot  gemaakt  van  “opmerkelijke”  resp. “onverklaarbare” voorvallen die direct te relateren zijn aan de integriteit van het politieapparaat”; — dat  de  spin  off  van  grote  onderzoeken  vaak  aanwijzingen  bevat  “voor  niet  integer  handelen  door bestuurderen en ambtenaren”; — dat  er  haast  geen  groot  onderzoek  kan  passeren  of  er  komen  “(veelal  zachte,  maar  soms  ook harde)   signalen   van   onjuist   handelen   van   advocaten;   variërend   van   “rekkelijkheid”   tot   directe ondersteuning van crimineel handelen”; — en  dat  er  veel  aanwijzingen  zijn  dat  Nederland  disproportioneel  meer  is  betrokken  “bij  financiële constructies die primair het witwassen van omvangrijke geldstromen lijken te beogen”. Er was dan ook, zo rondde Godlieb af, alle aanleiding toe: “(…)  om  met  een  klein  hoogwaardig  team  door  te  gaan  op  de  ingeslagen  (brede)  weg.  Op deze  wijze  lukt  het  om  middels  opgebouwde  vertrouwensrelaties  informatie  boven  tafel  te krijgen die anders vermoedelijk nimmer zal worden prijsgegeven.” Wat  dit  slotakkoord  concreet  voor  het  team  betekende  legde  het  vast  in  een  nota  van  10  maart  1997 betreffende   “Onderzoek   26-01;   potentiële   onderzoeksprojecten”.238   Het   waren   er   vijf.   Het   eerste project   bestond   uit   het   verzamelen   van   alle   informatie   uit   het   Fort-dossier   met   betrekking   tot verdwenen  drugs  in  een  aantal  trajecten;  in  dit  project  werden  zeven  deelprojecten  onderscheiden waaronder een mogelijk geval van parallel-import. Het tweede project was hoofdzakelijk gericht op de betrokkenheid van bepaalde instanties bij de afwikkeling van twee drugstransporten. Het derde project had betrekking op het fenomeen van de liquidaties. In het vierde project ging het om het uitdiepen van de rol van een bepaald persoon. En het vijfde project had betrekking op deals met criminelen .                                                 234 In  het  verslag  van  het  periodiek  afstemmingsoverleg  tussen  de  teamleidingen  en  H.  Holthuis  d.d.  10  maart  1997  liet deze laatste weten dat een vervolg op deze inleiding niet noodzakelijk was (C9). 235 Brief A. Godlieb aan R. Gonsalves d.d. 27 februari 1997 (B6). 236 Brief A. Godlieb aan H. Holthuis d.d. 26 februari 1997 (B6). 237 “Onderzoek m.b.t. faciliterende structuren georganiseerde criminaliteit (post-Fort-onderzoek); inleiding tot het verslag fase 1” (F11). 238 Deze nota bevindt zich onder meer in C7.

    fort2_7

    71 bijeenkomsten    van    de    Regiegroep    Kennemerland.41    Het    werd    bovendien    met    zoveel    woorden herhaald in de brief waarbij het college op 29 maart 1996 het rapport van het Fort-team aanbood aan de minister van Justitie. Tevens werd hierin opgemerkt dat het wantrouwen tussen een aantal politie- en   OM-functionarissen   in   het   ressort   Amsterdam   het   college   ernstig   zorgen   baarde   en   dat   het  – wanneer  de  regering  zich  had  uitgesproken  over  het  rapport  van  de  Commissie-Van  Traa  –  zonodig voorstellen zou doen om te bewerkstelligen dat iedereen zich zou voegen naar het standpunt van de regering   over   wat   wel   en   niet   toelaatbaar   is   in   de   opsporing.   Want   de   verschillen   van   opvatting hierover vormden volgens het college een van de oorzaken van dat wantrouwen.42 Op 22 april 1996 vond nader overleg plaats tussen Gonsalves en Zwerwer over de “nazorg Fort- team”. In dit overleg kwam ook het strafrechtelijk vervolgonderzoek ter sprake. In zijn nota hieromtrent tekende Zwerwer aan dat43: “(…) op ons verzoek een medewerker van de CRI bezig (is) een analyse te maken van alle materiaal  dat  ter  zake  aanwezig  is.  Afgesproken  is  dat  Holthuis  het  vervolg  zal  coördineren in   overleg   met   PG-Den   Bosch.   Dit   betekent   voorlopig   dat   onder   leiding   van   Holthuis   zal worden gezorgd dat een advies aan het college ter zake wordt voorbereid.” De  CRI-medewerker  die  deze  analyse  maakte  was  Schouten;  hij  deed  dit  samen  met  De  Wit.  Bijna gelijktijdig,   namelijk   op   23   april   1996,   vond   er   evenwel   ook   overleg   plaats   tussen   Gonsalves   en Holthuis enerzijds en Entken anderzijds over “hoe te handelen naar aanleiding van Fort en de roep om onderzoek”.  Wat  er  door  hen  precies  werd  besproken  valt  op  papier  niet  na  te  gaan.  Het  feit  dat  dit overleg  heeft  plaatsgegrepen  betekent  –  gelet  op  de  positie  van  Holthuis  als  hoofd  van  het  landelijk parket  en  die  van  Entken  als  voorman  van  het  LRT  –  evenwel  dat  reeds  in  dit  stadium  onder  ogen werd   gezien   dat   mogelijk   (ook)   het   LRT   zou   worden   belast   met   (een   deel   van)   het   strafrechtelijk vervolgonderzoek.44  De  vaststelling  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  op  24 april  1996,  dat  er  voorbereidingen  werden  getroffen  voor  een  in  te  stellen  strafrechtelijk  onderzoek naar   vermoedelijk   gepleegde   strafbare   feiten,   was   dus   terecht.   Op   1   mei   1996   zou   een   voorstel hiertoe worden geagendeerd.45 In   de   vergadering   van   het   college   op   7   mei   1996   werden   de   hoofdlijnen   besproken   van   de aanpak   met   betrekking   tot   enkele   onderzoeken   naar   meineed   en   van   wat   er   dienaangaande   was besproken met Holthuis. Bovendien werd meegedeeld dat er door de CRI een analyse werd gemaakt van  alle  feiten  die  bekend  waren  geworden  en  die  de  grondslag  moesten  vormen  voor  de  beslissing om  al  dan  niet  vervolging  in  te  stellen.  Welke  die  hoofdlijnen  en  die  feiten  waren,  en  waarom  de  CRI met de analyse werd belast, blijkt niet uit de notulen.46 In   de   vergadering   van   het   college   op   15   mei   1996   werd   aangestipt   dat   er   uitvoerig   was beraadslaagd  met  Holthuis  over  de  aanpak  van  het  strafrechtelijk  onderzoek  naar  aanleiding  van  de                                                                                                                                                         burgemeester van Haarlem, J. Pop, onmiddellijk bracht tot de stelling dat hij – als korpsbeheerder – betrokken diende te worden   bij   het   beraad   over   zulk   onderzoek.   A.   Docters   van   Leeuwen   was   het   hier   vanuit   de   eigen   volle verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de vervolging niet (onverkort) mee eens. Met behoud van ieders verantwoordelijkheid  wilde  hij  de  korpsbeheerder  eigenlijk  alleen  betrekken  bij  kwesties  die  hem  als  werkgever  van mogelijke verdachten zouden aangaan. Nadien – in een brief van 10 mei 1996 aan Pop – wees hij er bovendien op dat het  hier  niet  ging  om  een  eenvoudige  bestudering  van  het  rapport  van  de  rijksrecherche,  maar  (om)  een  diepgaande analyse  van  het  onderzoeksmateriaal  dat  de  grondslag  voor  het  rapport  heeft  gevormd.  Zie  de  correspondentie  over deze kwestie in B7. 41 Besluitenlijst   zestiende   bijeenkomst   Regiegroep   Kennemerland   d.d.   25   maart   1996   en   Besluitenlijst   zeventiende bijeenkomst Regiegroep Kennemerland d.d. 27 maart 1996 (B6). 42 Brief college van procureurs-generaal d.d. 29 maart 1996 aan de minister van Justitie (A4). 43 Nota Zwerwer d.d. 25 april 1996: “Bespreking met R. Gonsalves d.d. 22 april 1996” (B6). 44 Het vorenstaande is gebaseerd op het persoonlijk journaal van P. Entken (F24). Op datum van 23 april 1996 tekende hij aan: “Gesprek PG-HOVJ”. Dat hier R. Gonsalves en H. Holthuis zijn bedoeld, is een interpretatie. 45 Uittreksel collegevergadering d.d. 24 april 1996 (B7). 46 Uittreksel collegevergadering d.d. 7 mei 1996 (B7).

    fort2_70

    134 Deze  “Inleiding”  van  Godlieb  werd  besproken  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs- generaal  op  19  maart  1997.  De  vraag  waarvoor  het  college  zich  in  deze  vergadering  geplaatst  zag luidde of dit onderzoek organisatorisch moest worden opgehangen bij het LRT-onderzoek 060, spoor 1, of dat een apart traject moest worden gevolgd. Onder verwijzing naar een gesprek met Zwerwer en Godlieb  werd  aangegeven  dat  dit  onderzoek  niet  ondergebracht  moest  worden  bij  het  LRT  maar aansluiting  gezocht  moest  worden  bij  de  CID.  Het  gevaar  van  procedurele  vermenging  met  spoor  1 werd namelijk reëel gevonden. Daarnaast moest er toch ook voldoende draagvlak voor het onderzoek worden gecreëerd. In    aansluiting    hierop    werd    beslist    dat    Gonsalves    de    mogelijkheden    van    organisatorische onderbrenging  van  het  onderzoek  zou  (laten)  onderzoeken.  Maar  dit  wel  met  de  kanttekening  dat  de keuze voor heldere gezagslijnen belangrijk was en dat er een duidelijke verbinding met de CID moest zijn.239 Het  moge  duidelijk  zijn  dat  dit  oordeel  of  toch  in  elk  geval  deze  notulen  niet  uitblonk(en)  in helderheid:  over  welke  CID  gaat  het  hier  eigenlijk?  Nog  belangrijker  is  dat  het  volkomen  haaks  stond op wat Docters van Leeuwen op 27 maart 1997 zou schrijven aan Holthuis. In de desbetreffende brief –  zie  hiervoor  –  stelde  hij  namelijk  met  nadruk  dat  het  college  van  procureurs-generaal  van  oordeel was dat het onderzoek van spoor 2 moest worden ingebed bij het LRT. 5.5 De verhoudingen tussen de beide teams en het hoofd LBOM De  beide  teams  organiseerden  niet  alleen  intern  overleg.  In  het  verlengde  van  de  principe-afspraken die  in  november  waren  gemaakt  vergaderden  de  teamleidingen  op  gezette  tijden  ook  samen  –  acht keer   in   de   maanden   januari-maart   1997.   Daarenboven   vond   er   in   deze   drie   maanden   drie   keer periodiek    overleg    plaats    tussen    de    teamleidingen    en    Holthuis.    De    verslagen    van    al    deze vergaderingen    zijn    meestal    beknopt    maar    geven    desalniettemin    een    beeld    van    de    onderlinge verhoudingen tussen de beide teams.240 In de twee soorten vergaderingen werd natuurlijk veelvuldig gesproken over allerhande materiële en personele kwesties. Ook de perikelen met de formulering van de opdracht van spoor    2    werden    bij    herhaling    aan    de    orde    gesteld.    De    verslagen    laten    soms    wel    eens    iets doorschemeren van verschillen van inzicht respectievelijk wederzijdse irritaties tussen de beide teams bij   de   bespreking   van   al   deze   problemen,   maar   zij   groeiden   –   zo   te   lezen   –   niet   uit   tot   heuse conflicten.    Dit    had    op    zich    echter    best    wel    gekund,    bijvoorbeeld    bij    de    bespreking    van    de huisvestingsproblemen. Van de kant van spoor 2 werd op een bepaald moment immers bepleit dat die konden  worden  opgevangen  door  een  andere  verdieping  in  hetzelfde  gebouw  erbij  te  nemen,  terwijl door  spoor  1  de  voorkeur  werd  gegeven  aan  inhuizing  bij  het  LRT.  Dit  verschil  van  inzicht  zette natuurlijk het uitgangpunt van het gehele onderzoek ter discussie: beide teams vormen een geheel.241 Ook de bespreking van de planning en de voortgang van de onderscheiden onderzoeksactiviteiten  verliep  in  het  algemeen  zonder  problemen.  Waarbij  wel  direct  moet  worden aangetekend  dat  gaandeweg  steeds  minder  over  deze  activiteiten  werd  verteld,  althans  genotuleerd. Deels was dit het gevolg van het feit dat het vertrouwen tussen de beide teams onder grote druk was komen   te   staan.   De   reden   hiervan   was   niet   zozeer   dat   van   de   kant   van   spoor   1   soms   werd aangegeven  dat  spoor  2  bepaalde  activiteiten,  bijvoorbeeld  interviews,  beter  achterwege  kon  laten  of ze beter op een later tijdstip zou organiseren. Ook het feit dat leden van spoor 1 wel konden rekenen op  een  zekere  medewerking  van  het  parket  Amsterdam  –  bij  herhaling  werd  medegedeeld  dat  er  op                                                 239 Vastgestelde notulen vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 19 maart 1997 (B1). 240 Al deze verslagen bevinden zich in C9. 241 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 10 maart 1997 (C9).

    fort2_71

    135 CID-niveau   over   en   weer   informatie   werd   uitgewisseld   –   en   die   van   spoor   2   niet,   werd,   openlijk althans,  niet  als  een  probleem  opgevoerd.  En  naar  het  schijnt  leidden  de  bezoeken  van  spoor  1  aan de   BVD   om   te   zien   of   deze   dienst   nog   informatie   had   over   haar   subjecten   ook   niet   tot   grote moeilijkheden. Het probleem dat  de  verhoudingen  voor  het  eerst  wel  zwaar  op  de  proef  stelde,  was  dat  van  de uitwisseling  van  de  informatie  die  de  beide  teams  vergaarden  en  in  het  bijzonder  de  uitwisseling  van informatie betreffende de achtergronden van de IRT-affaire. Zwerwer  maakte  vo or  het  eerst  melding  van  uiterst  geheime  contacten  met  een  informant  in  de vergadering  van  de  teamleidingen  d.d.  14  januari  1997.  Hij  vertelde  erbij  dat  de  betrokkene  zich eigenlijk  had  gemeld  via  de  minister  of  althans  het  ministerie  van  Justitie.  Deze  mededeling  riep  het hele probleem van de informatie-uitwisseling op. Zo erg zelfs dat er op 24 januari 1997 op verzoek van de   leiding   van   spoor   1   een   speciale   vergadering   werd   belegd   over   “de   kwaliteit   van   de   info- uitwisseling tussen het team Argus en het team 96960”. Op deze vergadering riep Noordhoek eerst de afspraken  in  herinnering  die  volgens  hem  in  de  loop  van  november  en  december  waren  gemaakt: volledige    uitwisseling    van    informatie,    regelmatig    overleg    tussen    de    teamleidingen    et    cetera. Vervolgens stelde hij dat “door de teamleiding van Argus aan de hiervoor onder 1. genoemde punten geen goed gevolg wordt gegeven”. Verder verweet hij Zwerwer dat hij de teamleiding van spoor 1 niet de   informatie   wilde   meedelen   die   naar   boven   was   gekomen   in   de   contacten   met   de   genoemde informant.   Zwerwer   sprak   de   algemene   aantijging   van   Noordhoek   ronduit   tegen   en   samen   met Godlieb maakte hij spoor 1 hetzelfde verwijt. Wat het concrete geval betreft zei hij dat het gesprek met de  informant  dat  hij  had  bijgewoond,  niet  had  plaatsgevonden  “uit  hoofde  van  het  onderzoek  Argus” en    dat    de    informant    trouwens    was    toegezegd    dat    de    verkregen    informatie    niet    zou    worden bekendgemaakt.  Na  lang  praten  stelden  beide  partijen  tenslotte  niettemin  vast  dat  zij  zich  zouden houden  aan  de  gemaakte  afspraken.  Erg  overtuigend  was  dit  besluit  echter  niet  want  uit  de  notulen kan  worden  opgemaakt  dat  er  tot  het  laatste  moment  verschil  van  mening  bleef  bestaan  over  het antwoord  op  de  vraag  of  alle  informatie  in  beginsel  moest  worden  uitgewisseld.242  In  het  periodieke overleg van 7 februari 1997 met Holthuis kwam dit fundamentele conflict als zodanig niet op tafel. De vraag van Holthuis of de betrokken informant  relevante  informatie  kon  verschaffen  voor  het  onderzoek  KL  2601  en/of  060  beantwoordde Zwerwer wel. Hij deelde mee dat er in de toekomst mogelijk ook gesprekken konden worden gevoerd tussen   de   informant   en   CID’ers   en   dat   de   informatie   daarna   mogelijk   exploitabel   kon   worden gemaakt.243 De  enige  keer  dat  Holthuis  trouwens  echt  zijn  ongenoegen  over  de  gang  van  zaken  liet  blijken was naar aanleiding van de demarche van Zwerwer op 26 februari 1997 in de richting van Docters van Leeuwen. In de notulen werd opgetekend dat hij meedeelde244: “(…)  dat  hij  als  hoofdofficier  van  justitie  van  het  LBOM  de  verantwoordelijkheid  draagt  voor het  onderzoek  060  en  KL  2601.  Hij  benadrukt  dat  het  niet  verstandig  is  om  regelmatig  de leden van het college van procureurs-generaal te bezoeken voor dergelijke zaakinhoudelijke aspecten  en  extra  terugkoppelingen.  Raadzamer  is  het  om  op  bepaalde  momenten  het college   duidelijk   in   te   lichten   over   de   resultaten   respectievelijk   de   voortgang   van   het onderzoek.” Voor  het  overige  beperkte  hij  zich  bij  (dreigende)  geschillen  van  inzicht  tussen  de  teamleidingen meestal    tot    het    beklemtonen    van    het    grote    belang    van    de    wederzijdse    afstemming    van    de                                                 242 Verslag overleg teamleiding van onderzoek Argus en 96060 d.d. 24 januari 1997 (C9). 243 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 7 februari 1997 (C9). 244 Verslag periodiek afstemmingsoverleg d.d. 10 maart 1997 (C9).

    fort2_72

    136 onderzoeken. In het interview kwam hij nog eens terug op de rechtstreekse contacten tussen Docters van Leeuwen en Zwerwer245: “Sieb  Zwerwer  had  feitelijk  veel  contact  met  Arthur.  Er  was  wat  dat  betreft  een  dubbele  lijn, niet  alleen  had  ik  als  hoofdofficier  een  relatie  met  Arthur,  maar  in  feite  had  Sieb  ook  een directe relatie met hem. Ik heb dat maar zo gelaten. (…) Ja, waarom werd er toen niet door mij met de vuist op tafel geslagen? Wij hadden net de IRT-affaire achter de rug en waren nu opgezadeld als landelijk rechercheteam met deze klus.” Zwerwer beaamde op zijn beurt dat hij246: “(…)   een   heel   goede   band   (had)   met   Docters   van   Leeuwen.   Wanneer   ik   hem   belde   of opzocht heb ik dat altijd met Holthuis vooraf besproken. Ik heb Holthuis altijd beschouwd als mijn materiële baas, dat wil zeggen voor het beheer van de dingen.” En Docters van Leeuwen maakte in het interview evenmin een geheim van zijn rechtstreekse relaties met de onderscheiden leden van het openbaar ministerie247: “Ik had ook eigenlijk het minste direct contact met Noordhoek. Zwerwer informeerde mij altijd intensief.  Met  Snijders  waren  er  ook  regelmatig  contacten,  zelfs  nog  in  de  periode  dat  ik geen voorzitter meer was van het college. Hetzelfde gold, zolang ik procureur-generaal was, voor Holthuis; met hem praatte ik ook regelmatig bij.” 5.6 De voortgang van de aanpalende onderzoeken Hiervoor  werden  vier  aanpalende  onderzoeken  aangehaald  die  op  het  eerste  oog  weinig  of  niets  te maken   leken   te   hebben   met   het   060–onderzoek:   de   zaak-Swennen,   het   meineedonderzoek   ten aanzien van L. en Van V., de affaire met “Haagse Kees” en de kwestie-Van T. Uit de bespreking van hun  origine  en  verloop  in  de  zomer  en  het  najaar  van  1996  moge  echter  zijn  gebleken  dat  zij  wel degelijk  een  of  meer  raakvlakken  met  dit  “hoofdonderzoek”  hadden.  Hierom  is  het  aangewezen  om ook  voor  de  onderhavige  periode  in  te  gaan  op  hun  voortgang.  Althans  op  die  van  twee  van  hen:  het meineedonderzoek  en  de  affaire  met  “Haagse  Kees”.  De  onderzoeken  die  hier  buiten  beeld  worden gelaten  zijn  dus  die  in  de  zaak-Swennen  en  in  de  kwestie  –  Van  T.  Blijkens  de  stukken  waarover  wij beschikken    speelde    het    eerstgenoemde    onderzoek    in    de    onderhavige    periode    geen    rol    in    de onmiddellijke  context  van  het  060-onderzoek.  Het  laatstgenoemde  onderzoek  lag  in  de  onderhavige periode stil, met name omdat – zoals hiervoor reeds werd aangegeven – advocaat Korvinus niet in de gelegenheid was om de vragen te formuleren die hij omtrent deze kwestie aan de orde wilde stellen. 5.6.1 Het verdere onderzoek in de meineedzaak tegen L. en Van V. In het begin van 1997 werd het onderzoek in deze zaak afgerond en kwam het tot de dagvaarding van de beide verdachten voor de rechtbank te ’s-Gravenhage. Op de eerste dag – 28 maart 1997 – kwam het meteen tot schermutselingen tussen de verdediging en de betrokken officier van justitie Slits over de  op  te  roepen  getuigen.  Een  van  hen  was  de  procureur-generaal  Gonsalves.  De  verdediging  wilde hem  graag  aan  de  tand  voelen  over  de  rubricering  “staatsgeheim”  van  stukken  uit  het  Fort-archief.                                                 245 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 246 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 247 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.

    fort2_73

    137 Slits  vond  dit  niet  nodig  omdat  hij  naar  zijn  mening  voldoende  kon  aantonen  hoe  er  in  dezen  was gehandeld. Hij had niet alleen de correspondentie met Gonsalves uit september 1996 overlegd maar ook  een  brief  van  de  secretaris-generaal  van  het  ministerie  van  Justitie  Borghouts.248  Deze  brief  – waarnaar  hiervoor  reeds  werd  verwezen  –  dateerde  van  18  maart  1997  en  was  gericht  aan  Slits. Borghouts stelde hierin dat de rubricering van het Fort-archief tot staatsgeheim begin 1996 mondeling was   afgesproken   met   de   BVD   en   dat   bij   die   gelegenheid   tevens   was   overeengekomen   dat   een beslissing   tot   derubricering   ten   behoeve   van   een   strafzaak   namens   de   secretaris-generaal   zou kunnen worden genomen door een lid van het college van procureurs-generaal. En, zo vervolgde hij, Gonsalves  was  op  de  hoogte  van  deze  afspraak  en  had  dientengevolge  geheel  bevoegd  behandeld toen hij delen van het archief ter beschikking had gesteld.249 De   rechtbank   was   het   met   de   argumenten   van   Slits   volmondig   eens   en   stelde   dat   niet aannemelijk  was  gemaakt  welk  verdedigingsbelang  met  het  horen  van  de  desbetreffende  getuigen gediend zou kunnen zijn.250 Niettemin wees de rechtbank de zaak terug naar de rechter-commissaris om een hele reeks andere getuigen te horen.251 Verder    is    het    hier    van    belang    om    erop    te    wijzen    dat    Noordhoek    naar    aanleiding    van    de coördinatievergadering die op 2 december 1996 op het LBOM had plaatsgevonden op 9 januari 1997 met  het  oog  op  de  voorbereiding  van  het  060-onderzoek  aan  Slits  verzocht  om  een  afschrift  van  de processen-verbaal,   inclusief   de   onderliggende   stukken,   betreffende   de   verdenking   van   meineed jegens  L.  en  Van  V.252  Slits  legde  deze  vraag  dezelfde  dag  nog  schriftelijk  voor  aan  Gonsalves.253 Gonsalves leidde deze brief enkele dagen later door aan Holthuis met het verzoek om hem van advies te dienen of en zo ja, onder welke voorwaarden, aan dit verzoek kon worden voldaan.254  Kennelijk  viel dit  advies  positief  uit  want  op  4  maart  1997  maakte  Slits  de  gevraagde  stukken  over  aan  Holthuis (onder het voorbehoud dat Gonsalves er nog zijn goedkeuring aan zou hechten).255 Een maand later stuurde    hij    Noordhoek    rechtstreeks    nog    andere    stukken    toe    die    betrekking    hadden    op    deze strafzaak.256 Dit  onderzoek  laat  dus  niet  alleen  goed  zien  dat  er  onder  voorwaarden  stukken  uit  het  Fort- archief   konden   en   kunnen   gebruikt   in   strafzaken   maar   ook   dat   er   ook   de   nodige   samenwerking bestond tussen de meineedonderzoekers en de onderzoekers van het LRT-team. 5.6.2 Het verdere verloop van de affaire met “Haagse Kees” Hiervoor  werd  reeds  aangegeven  dat  de  minister  van  Justitie  bij  brief  van  11  november  1996  aan Docters  van  Leeuwen  had  verzocht  om  een  aantal  vragen  die  in  het  kader  van  deze  affaire  waren gerezen  mee  te  nemen  in  het  verdere  onderzoek  naar  het  functioneren  van  de  RCID  Kennemerland. Zij  had  hem  evenwel  ook  gevraagd  om  de  rijksrecherche  een  onderzoek  te  laten  instellen  naar  de vraag  of  “Haagse  Kees”  zich  na  de  ontvangst  van  de  twee  miljoen  gulden  ook  metterdaad  in  het buitenland  had  gevestigd  en  haar  medio  december  1996  te  berichten  over  de  resultaten  van  dit onderzoek. Parallel hieraan werd omstreeks die tijd contact gezocht met het ministerie van Financiën                                                 248 Nota F. Slits d.d. 28 maart 1997 met zijn beoordeling van de getuigenlijsten in de onderhavige strafzaak (C2). 249 Brief H. Borghouts d.d. 18 maart 1997 aan F. Slits (C2). 250 Conceptuittreksel   uit   proces-verbaal   van   de   zitting   d.d.   28   maart   1997   van   de   meervoudige   strafkamer   van   de arrondissementsstrafkamer te ‘s-Gravenhage inzake de verdachte L. en de verdachte Van V. (C2). 251 Deze  strafzaak  moet  worden  onderscheiden  van  de  strafzaak  tegen  L.  en  VdP.  terzake  van  hun  onware/meinedige verklaringen  in  de  zaak-Hooghiemstra  over  de  werkwijze  die  in  de  pro-actieve  respectievelijk  opsporingsfase  werd toegepast.  Ook  in  deze  strafzaak  speelde  evenwel  het  probleem  van  het  gebruik  van  als  staatsgeheim  aangemerkte stukken  uit  het  Fort-archief.  Zie  de  brief  van  J.  Blok  d.d.  19  februari  1997  aan  de  voorzitter  van  het  college  van procureurs-generaal (D21). 252 Brief E. Noordhoek d.d. 9 januari 1997 aan F. Slits (C2). 253 Brief F. Slits d.d. 9 januari 1997 aan R. Gonsalves (C2). 254 Brief R. Gonsalves d.d. 14 januari 1997 aan H. Holthuis (C2). 255 Brief F. Slits d.d. 4 maart 1997 aan H. Holthuis (C2). 256 Brief F. Slits d.d. 2 april 1997 aan E. Noordhoek (C2).

    fort2_74

    138 om  na  te  gaan  of  deze  voormalige  informant  eventueel  ook  fiscaal  kon  worden  aangepakt.257 Om dit uit  te  kunnen  zoeken  werd  kort  na  21  november  1996  een  kopie  van  het  departementale  dossier betreffende  “Haagse  Kees”  verstrekt  aan  de  belastingdienst.258  Een  week  eerder  –  op  13  november 1996 – had de leiding van het departement overigens al ingestemd met de verstrekking van een kopie hiervan aan Noordhoek.259 Op  8  januari  1997  schreef  een  beleidsambtenaar  op  het  departement  van  Justitie  een  brief  aan de  minister  van  Justitie  over  de  manier  waarop  het  openbaar  ministerie  en  in  het  bijzonder  Docters van  Leeuwen  was  omgegaan  met  haar  verzoek  van  11  november  1996. 260  Al  voor  de  Kerstdagen was hem uit contacten met het parket-generaal gebleken dat dit verzoek was blijven liggen. Eerst was aangevoerd  dat  dit  een  gevolg  van  “drukte”  was  geweest.  Later  was  gebleken  dat  er  meer  aan  de hand was, namelijk dat de rijksrecherche geen opdracht was gegeven om het gevraagde onderzoek te doen omdat het openbaar ministerie van mening was dat er – zonder het bestaan van een verdenking in strafrechtelijke zin – geen titel was om een nader onderzoek in te stellen naar de verblijfplaats van de  ex-informant  en  voorts  dat  tijdens  het  overleg  op  24  september  1996  was  afgesproken  dat  geen nader  onderzoek  noodzakelijk  was  naar  de  rol  van  de  betrokken  leden  van  het  openbaar  ministerie. Na  overleg  op  het  departement  –  eveneens  op  8  januari  –  was  de  betrokken  medewerker  van  het parket-generaal   overstag   gegaan   en   had   hij   opeens   toch   mogelijkheden   gezien   voor   een   nader onderzoek  naar  de  verblijfplaats  van  “Haagse  Kees”.  Zodoende  werd  geconcludeerd  dat  wederom moest  worden  vastgesteld  dat  het  parket-generaal  niet  adequaat  had  gehandeld  met  betrekking  tot een  verzoek  dat  schriftelijk  aan  de  voorzitter  van  het  college  van  procureurs-generaal  was  gericht.  Er werd geadviseerd om het openbaar ministerie nog enkele dagen de tijd te geven en af te wachten of er alsnog uitvoering zou worden gegeven aan het verzoek. Zou dit niet het geval zijn, dan zou Docters van  Leeuwen  mondeling  over  deze  kwestie  om  opheldering  moeten  worden  gevraagd  en  zou  in  elk geval   moeten   worden   bewerkstelligd   dat   de   rijksrecherche   het   gevraagde   onderzoek   alsnog   zou instellen. In  aansluiting  op  deze  nota  schreef  de  minister  van  Justitie  op  21  januari  1997  een  brief  aan Docters  van  Leeuwen  waarin  zij  haar  verbazing  uitsprak  over  het  feit  dat  het  gevraagde  onderzoek zelfs nog niet aan de rijksrecherche was opgedragen. Verder verzocht zij hem er onverwijld zorg voor te dragen dat aan haar verzoek alsnog uitvoering werd gegeven. Bovendien vernam zij graag waarom tot op heden de rijksrecherche geen opdracht tot bedoeld onderzoek had gehad.261 De dag daarop – op 22 januari 1997 – schreef Docters van Leeuwen terug dat hij naar aanleiding van  de  brief  van  11  november  1996  de  dossiers  over  “Haagse  Kees”  nader  had  laten  bestuderen  om te  bezien  op  welke  wijze  en  door  wie  dat  onderzoek  zou  moeten  worden  verricht,  alsmede  wat  de reikwijdte   van   dat   onderzoek   zou   moeten   zijn.   Hij   vervolgde   met   te   zeggen   dat   er   inmiddels   een aanvang  was  gemaakt  met  dit  onderzoek  en  dat  het  college  over  de  zaak  eindverantwoording  zou afleggen   tegenover   haar.   Hij   zou   de   rijksrecherche   bij   dit   onderzoek   betrekken   zodra   feiten   en omstandigheden   naar   voren   kwamen   die   inschakeling   van   de   rijksrecherche   rechtvaardigden.   De verwachting was dat er in de eerste helft van februari nader bericht zou kunnen worden gegeven.262 Het onderzoek nam echter meer tijd in beslag dan verwacht. Pas op 19 maart 1997 kon Docters van  Leeuwen  de  uitslag  van  het  onderzoek  mededelen.263  Die  kwam  erop  neer  dat  er  op  een  enkel                                                 257 Nota d.d. 13 november 1996 aan de minister van Justitie (A5). 258 Nota d.d. 21 november 1996 aan de secretaris-generaal (A5). Aan de discussie over de fiscale afwikkeling van de zaak gaan we hier voorbij. 259 Nota d.d. 13 november 1996 aan de minister van Justitie (A5). 260 Nota d.d. 8 januari 1997 aan de minister van Justitie (A5). 261 Brief minister van Justitie d.d. 21 januari 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 262 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 22 januari 1997 aan minister van Justitie (A5). 263 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 19 maart 1997 aan minister van Justitie (A5). Hierbij moet worden aangetekend dat er tussentijds wel contacten zijn geweest tussen het parket-generaal en het departement over het onderzoek en eveneens over  het  ontwerp  van  deze  brief  aan  de  minister  van  Justitie.  Zie  onder  meer  een  nota  d.d.  17  maart  1997  van  een beleidsambtenaar van het parket-generaal (A5).

    fort2_75

    139 punt  na  geen  nieuwe  inzichten  waren  verkregen  in  de  zaak  van  “Haagse  Kees”  en  dat  er  evenmin iemand   een   verwijt   kon   worden   gemaakt   betreffende   zijn/haar   optreden   in   deze   zaak.   Onder verwijzing  naar  andere  “netelige  dossiers  van  voormalige  infiltranten  en  informanten”  bracht  Docters van    Leeuwen    verder    naar    voren    dat    in    verband    met    deze    dossiers,    ondanks    allerhande voorzorgsmaatregelen, toch “politiek/publicitair zeer gevoelige incidenten” konden ontstaan en dat een adequate  verzameling  van  feiten  tot  op  het  hoogste  niveau  dus  van  groot  belang  was.  Wat  in  dit verband nog ontbrak, zo meende Docters van Leeuwen, was “een efficiënte en effectieve aansluiting van college en minister” aan het platform van CID-officieren. Om dit tekort te repareren stelde hij voor om  een  beleidsgroep  te  vormen  waarin  ook  een  of  meer  medewerkers  van  het  departement  zouden zitten. Na het nodige vooroverleg op het departement schreef de minister van Justitie op 28 mei 1997 aan  Docters  van  Leeuwen  dat  zij  instemde  met  zijn  voorstel  om  een  “werkgroep”  in  te  stellen.  Op  de andere  punten  in  de  laatstgenoemde  brief  kwam  zij  niet  terug.264  Wel  liet  zij  op  dezelfde  dag  de voorzitter  van  de  Tweede  Kamer  weten  dat  het  nadere  onderzoek  dat  zij  had  laten  instellen  naar aanleiding   van   Kamervragen   over   de   verblijfplaats   van   een   voormalige   informant   geen   nieuwe inzichten hieromtrent had verschaft.265 5.7 De opkomst van het derde spoor De  hevige  aanvaring  die  zich  in  januari  1997  voordeed  tussen  Zwerwer  en  Noordhoek  omtrent  de contacten  met  een  bepaalde  informant  vormde  in  zekere  zin  slechts  de  manifestatie  van  een  veel belangrijkere ontwikkeling: de opkomst van een derde spoor ( afgezien nog van de activiteiten op het Amsterdamse  parket  die  wellicht  als  een  vierde  spoor  kunnen  worden  gekenschetst).  Wat  was  er namelijk aan de hand? De betrokken informant had naar aanleiding van het verhoor van een overheidsfunctionaris bij de Commissie-Van  Traa  contact  gezocht  met  het  ministerie  van  Justitie.  In  de  brief  die  hij  –  inmiddels “Fokker”  gedoopt  –  aan  de  minister  schreef  beweerde  hij  te  weten  hoe  het  er  in  de  IRT-tijd  werkelijk aan  toe  was  gegaan  en  dat  hij  bereid  was  om  hierover  verklaringen  af  te  leggen,  wanneer  dit  zou gebeuren  in  het  bijzijn  van  een  hoge  ambtenaar.  “Fokker”  suggereerde  in  het  bijzonder  dat  (iemand van)  de  FIOD  een  hoogstbedenkelijke  rol  had  gespeeld  in  de  drugstransporten.  Een  van  de  redenen waarom  het  parket  Haarlem  werd  benaderd  om  met  deze  persoon  aan  de  praat  te  gaan  was  de eerdere  betrokkenheid  van  Snijders  bij  de  afwikkeling  van  informantenkwesties.266  Naar  zijn  eigen zeggen kreeg hij namelijk van Borghouts zelf het verzoek om met betrokkene te gaan spreken. En het was  Snijders  die  vervolgens  Zwerwer  aansprak  om  de  rol  van  hoge  ambtenaar  te  spelen.  Verder betrok hij niet alleen De Wit maar ook Schouten bij de zaak. De Wit omdat hij wilde voorkomen dat de RCID Kennemerland in dit verband een rol zou gaan spelen.267  De  aanwezigheid  van  Schouten  vond hij nodig om een veiligheidsrisico-analyse te maken.268 Het  is  niet  onbelangrijk  om  te  weten  waarom  rondom  het  verhoor  van  deze  briefschrijver  zoveel onderzoeksactiviteiten werden ontplooid. Voor Holthuis was het duidelijk269: “Dat is eigenlijk helemaal absurd. Op een bepaald moment meldt een bron zich rechtstreeks bij de minister en zegt dat hij wel weet hoe het in de IRT-periode precies gegaan is. Omdat                                                 264 Brief minister van Justitie (namens haar ondertekend door de secretaris-generaal) d.d. 28 mei 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 265 Brief minister van Justitie (namens haar ondertekend door de secretaris-generaal) d.d. 28 mei 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 266 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 267 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001. 268 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 2001. 269 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.

    fort2_76

    140 men  op  het  departement  het  idee  had  dat  er  bij  het  parket  Haarlem  wel  iemand  zat  die  er raad   mee   wist,   heeft   men   Van   Brummen   gevraagd   om   met   de   betrokken   man   te   gaan praten. Voor Peter Snijders was dat de eerste keer dat hij op het toneel kon verschijnen. Hij had een zeer grote ambitie om duidelijkheid over de IRT-affaire te verkrijgen. Hij was Jolien Kuitert als CID-officier Kennemerland opgevolgd. Deze informatiebron vormde voor hem een aanknopingspunt om zich met het onderzoek bezig te gaan houden.” Deze  interpretatie  van  wat  er  zich  in  januari  1997  aan  het  ontpoppen  was,  vindt  steun  in  wat  Van Brummen ons zei in het interview270: “Een  motivatie  van  Peter  en  van  mij  is  gelegen  in  de  wens  om  de  onderste  steen  boven  te krijgen. We wilden meer zicht verkrijgen op de werkelijkheid die achter het IRT-tijdperk schuil ging.  In  zekere  zin  staat  die  motivatie  los  van  het  arrondissement  Haarlem.  Had  ik  bij  wijze van  spreken  in  Veenendaal  gewerkt,  dan  was  de  drive  van  een  persoon  als  Snijders  ook daar op mij overgeslagen.” En het is niet zo dat die nieuwe loot aan de onderzoeksstam door het college van procureurs-generaal of   althans   Docters   van   Leeuwen   met   tegenzin   werd   begroet.   Snijders   en   Van   Brummen   kregen daarentegen  alle  ruimte  om  hun  eigen  spoor  uit  te  werken.  Docters  van  Leeuwen  gaf  tijdens  het interview aan271: “ Ik voeg daaraan toe, om even terug te komen op Peter Snijders en Van Brummen, dat het college als geheel hen nooit een strobreed in de weg heeft gelegd. Zij hadden onze volledige steun   en   rugdekking.   Henk   van   Brummen   zat   er   zeer   nadrukkelijk   bovenop,   dat   heb   ik gemerkt. Daar hadden we ook intensief contact mee.” En Ficq beaamde dat Snijders de ruimte kreeg om een heel eigen spoor te trekken272: “  Snijders  is  in  Haarlem  onder  moeilijke  omstandigheden  aan  de  slag  gegaan  en  heeft  ook heel  goed  werk  geleverd.  Het  probleem  was  wel  dat  hij  het  werk  uiteindelijk  niet  los  kon laten,  mede  als  gevolg  van  het  feit  dat  hij  in  anderen  te  weinig  vertrouwen  heeft.  Hij  had eigenlijk  alleen  vertrouwen  in  zichzelf.  Van  Brummen  (…)  wilde  geen  conflict  binnen  zijn parket, met het gevolg dat Snijders een behoorlijke hoeveelheid vrijheid heeft gehad om zijn onderzoek vorm te geven.” Het  resultaat  van  dit  alles  was  dat  er  begin  1997  eigenlijk  langs  vier  sporen  naar  de  waarheid  en  de werkelijkheid van de IRT-affaire werd gezocht: naast de formele sporen 1 en 2 ook nog eens door het parket  Amsterdam  en  door  het  parket  Haarlem.  Waarbij  niet  uit  het  oog  mag  worden  verloren  dat ondertussen niet alleen de irritatie was toegenomen aan de kant van de sporen 1 en 2, maar ook aan de kant van spoor 3. Snijders schreef in elk geval op 13 april 1997 geërgerd aan Van Brummen inzake de  sporen  1  en  2  dat  men  wel  voortdurend  een  beroep  deed  op  hem  om  informatie  aan  te  leveren, maar  dat  hij  niet  rechtstreeks  bij  die  projecten  werd  betrokken.  En  dit  terwijl  volgens  hem  iedere  keer bleek dat alle analyses teruggingen op de stellingen die hij had ontwikkeld.273 Van Gemert constateert achteraf274:                                                 270 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 271 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001. 272 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001. 273 Brief J. Snijders d.d. 13 april 1997 aan H. van Brummen (D23). 274 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001.

    fort2_77

    141 “Snijders heeft toch ook wel invloed uitgeoefend op alle ontwikkelingen. Het college heeft dat allemaal gelegitimeerd, dat er naast de activiteiten van het LRT ook nog opsporingsactiviteiten    door    Snijders    werden    verricht.    Achteraf    was    het,    gelet    op    de betrokkenheid  van  Snijders,  beter  geweest  om  meteen  een  koppel  Snijders-Noordhoek  te maken. Wellicht had dat toen heel goed gewerkt. Snijders heeft een enorm goed geheugen en  had  ook  een  langdurige  betrokkenheid  bij  het  onderzoek.  Rick  Noordhoek  begon  ten opzichte  van  hem  dus  met  een  enorme  kennisachterstand  en  was  in  meerdere  opzichten tegenovergesteld  aan  Snijders.  Eigenlijk  hebben  ze  als  twee  kapiteins  aan  het  schip  zitten sturen.  De  een  is  niet  facilitair  geweest  voor  de  ander.  Een  fundamenteel  verschil  was  ook dat   Snijders   veel   directer   gericht   was   op   materiële   waarheidsvinding;   hij   hoefde   geen strafrechtelijke  insteek  te  hebben.  Maar  wanneer  je  gekozen  hebt  om  via  de  strafrechtelijke weg   licht   te   werpen   op   het   verleden,   dan   is   dat   veel   moeilijker,   dan   kun   je   bepaalde gegevens eenvoudigweg niet gebruiken.” 5.8 Conclusie In  de  lijn  die  voordien  was  uitgestippeld  werkte  het  LRT-team  in  deze  periode  haar  analyse  van  het Fort-archief   uit   en   zette   de   resultaten   hiervan   om   in   een   eindrapport   en   zes   subjectrapporten. Opmerkelijk  hierbij  is  dat  –  anders  dan  in  de  blauwdruk  van  augustus  1996  werd  geponeerd  –  in  de eindrapportage   werd   gesteld   dat   zowel   J.   als   Van   V.   het   meeste   houvast   boden   voor   nader onderzoek. Maar, zoals Van Gemert heeft verklaard, in het bijzonder het meineedonderzoek tegen L. en Van V. was een reden om voorlopig (ook) niet door te rechercheren op Van V. Deze keuze strookte overigens met de beslissing van het college op 4 september 1996 dat het laatstgenoemde onderzoek niet  moest  worden  geïntegreerd  in  het  060-onderzoek  maar  dat  de  beide  onderzoeken  wel  goed  op elkaar moesten worden afgestemd. Het  onderzoek  van  spoor  2  werd  in  de  betrokken  periode  steevast  betiteld  als  een  verkennend respectievelijk   voorbereidend   strafrechtelijk   onderzoek,   ook   al   bleef   het   algemene   doel   in   de opeenvolgende voorstellen erg vaag: opheldering verschaffen over de integriteit van de overheid in de Nederlandse  samenleving.  Verder  werd  het  nu  eens  wel  dan  weer  niet  gekoppeld  aan  het  specifieke doel  om  meer  licht  te  werpen  op  de  hoofdrolspelers  in  de  IRT-affaire  en  (de  achtergronden  van)  het spel dat zij hadden gespeeld. Wat dit punt betreft wisselde het dus keer op keer van koers. Het college van procureurs-generaal hakte uiteindelijk in samenspraak met de minister van Justitie de knoop door en  beperkte  de  actieradius  van  spoor  2  tot  de  laatstgenoemde  doelstelling.  Dit  tot  groot  verdriet  van de  teamleiding  die  ondertussen  door  alle  heen  en  weer  gediscussieer  over  de  draagwijdte  van  het onderzoek  en  door  de  weigering  het  team  een  eigen  CID-status  te  geven  toch  al  in  hoge  mate gedemotiveerd  was  geraakt.  Want  wat  zou  nu  nog  het  verschil  met  spoor  1  zijn  en  eventueel  de meerwaarde  van  het  eigen  team  ten  opzichte  van  het  LRT-team?  Met  deze  beslissing  kwam  de  top van  justitie  dus  als  vanzelf  in  de  buurt  van  het  punt  dat  door  de  leiding  van  dit  laatste  team  al  in augustus   1996   was   opgeworpen:   moet   de   beslissing   om   een   spoor   2   in   te   richten   niet   worden heroverwogen? Hoezeer  dit  strategische  debat  over  de  doelstelling  (en  bevoegdheden)  van  de  onderscheiden teams  samenhing  met  de  vraag  naar  hun  plaats  in  het  politiebestel  werd  nooit  duidelijker  dan  in  dit korte tijdsgewricht. Het antwoord op deze vraag werd immers in hoge mate bepaald door de uitkomst van    dit    debat.    Wie    spoor    2    de    opdracht    toedichtte    om    een    algemeen    en    breed    CID-matig integriteitonderzoek  in  te  stellen,  die  zag  voor  het  team  vooral  een  plaats  in  de  BVD,  de  Bijzondere Zaken   Centrale   van   de   CRI   of   “ergens”   in   het   KLPD.   Wie   veeleer   vond   dat   het   ging   om   een verkennend strafrechtelijk onderzoek tegen bepaalde personen die verkoos een positie voor het team binnen  het  LRT,  inclusief  het  gebruik  van  de  CID  respectievelijk  de  CID-status  van  dit  team.  Waarbij het opmerkelijk is dat op hoog niveau in justitie werd gevonden dat het team onder geen beding mocht

    fort2_78

    142 worden  ingebed  in  het  LBOM  om  zelfs  de  schijn  te  vermijden  dat  het  de  grondslag  zou  vormen  voor een   nationale   justitiële   inlichtingendienst.   Deze   visie   maakte   het   immers   welhaast   per   definitie onmogelijk  om  het  tweede  strategische  doel  van  Docters  van  Leeuwen  met  het  vervolgonderzoek binnen bereik te brengen of althans op zijn noodzakelijkheid en/of uitvoerbaarheid uit te testen. Mede gelet op de continuïteit van de doelstelling van spoor 1 en zijn al met al planmatige manier van   werken   is   het   niet   verwonderlijk   dat   het   betrokken   team   zich   in   deze   periode   heel   gericht concentreerde op een analyse van het Fort-archief met het oog de aanmaak van de subjectrapporten die  eerder  in  het  vooruitzicht  waren  gesteld.  En  dit  met  tastbaar  resultaat:  goedgestructureerde  en onderbouwde  inhoudsanalyses  van  het  Fort-archief  die  een  duidelijke  prioriteitstelling  in  het  verdere onderzoek mogelijk maakten. Dit neemt niet weg dat het team met het oog op het vervolgonderzoek in de    onderhavige    periode    ook    reeds    bij    andere    diensten    en    in    andere    bronnen    naging    welke wetenschap daar(in) verscholen zat omtrent de betrokken personen. En dit is een belangrijk gegeven. Want het toont niet alleen aan men er vanuit ging dat de analyseresultaten geheel of ten dele zouden en  konden  worden  omgezet  in  een  meer  operationeel  vervolgonderzoek  maar  ook  dat  er  voor  het welslagen  van  dit  onderzoek  meer  en  andere  gegevens  nodig  waren  dan  die  welke  het  Fort-archief bevat, niet in het laatst natuurlijk vanwege de problemen met het gebruik van (stukken van) dit archief in  een  strafrechtelijk  onderzoek.  Daarenboven  demonstreert  deze  aanpak  dat  men  in  de  richting  van de  (potentiële)  verdachten  voorlopig  nog  gebruik  wilde  maken  van  een  indirecte  tactiek:  stilzwijgend buiten  hen  om  informatie  vergaren  over  hen.  Als  het  ware  een  vorm  van  van  buiten  naar  binnen rechercheren.   Van   een   directe   benaderingstactiek,   bijvoorbeeld   gesprekken   aanknopen   in   hun omgeving of ze uitnodigen voor een gesprek, wordt in de stukken niet gesproken. Kennelijk zag men daar in dit stadium in het geheel geen heil in. In het licht van de dubbele en/of dubbelzinnige doelstelling van spoor 2 ligt het voor de hand dat de (paar) leden van dit team zich niet beperkten tot raadpleging van het Fort-dossier maar ook links en rechts  in  het  land  allerlei  mensen  interviewden  over  problemen  en  voorbeelden  van  non-integriteit  bij de overheid. Veel meer kon men natuurlijk ook niet, niet vanwege het tekort aan personeel en ook niet vanwege het gebrek aan CID-status. Het algemene resultaat was dan ook navenant: een verzameling losse indrukken van non-integriteit in de Nederlandse samenleving, rijp en groen door elkaar, en een opsomming  van  een  aantal  mogelijke  vervolgonderzoeken.  Bij  deze  opsomming  valt  het  op  dat  een deel van de genoemde projecten heel concreet alles te maken had met de IRT-affaire. In die zin werd het    besluit    van    de    justitietop    betreffende    de    (inperking    van    de)    opdracht    van    het    team    dus gerespecteerd.  Tezelfdertijd  bewijzen  die  projecten  dat  door  dit  besluit  het  (inhoudelijke)  onderscheid tussen spoor 1 en spoor 2 nog moeilijk te maken viel. Met als gevolg dat de twee teams onherroepelijk in  elkaar’s  vaarwater  terechtkwamen  en  een  herziening  van  de  aanvankelijke  organisatie  van  het onderzoek welhaast onvermijdelijk werd. Dit   verklaart   mede   waarom   de   onderlinge   samenwerking   steeds   moeilijker   liep   en   door   de inschakeling van Zwerwer in gesprekken met een informant die zich rechtstreeks tot het ministerie van Justitie  had  gewend,  bijna  op  de  klippen  liep.  Want  waar  de  verhouding  tussen  de  beide  sporen  van meet af aan al moeizaam was daar werd nu heel duidelijk dat het ene onderzoek het andere vierkant in  de  weg  zat.  Dit  conflict  laat  echter  tevens  zien  dat  wat  er  “binnen”  gebeurde  niet  losstond  van  wat “buiten” plaatsvond. Namelijk dat Zwerwer weliswaar in diverse arrondissementen geen medewerking verkreeg  maar  door  toedoen  van  het  genoemde  project  niettemin  toegroeide  naar  een  coalitie  met twee  externe  partijen  waarmee  hij  tot  dan  toe  los  van  elkaar  contact  had  onderhouden:  de  CRI  en Snijders: spoor 3  in the making. Want vanuit spoor 1 gezien betekende de opkomst van spoor 3 niet meer maar ook niet minder dan dat de verdwijning van de ene tegenstander te niet werd gedaan door de opkomst van een andere. En dus liep de spanning verder op, zoals in het volgende hoofdstuk zal blijken. De   polarisatie   kon   ook   verder   gaan   omdat   van   hogerhand   niet   werd   ingegrepen.   Haast integendeel, zou men kunnen zeggen: Snijders kreeg niet alleen van zijn eigen hoofdofficier maar ook van het college van procureurs-generaal, althans Docters van Leeuwen, en tot op zekere hoogte ook

    fort2_79

    143 van  het  ministerie  van  Justitie  de  ruimte  om  –  dwars  tegen  de  afspraken  van  4  september  1996  in  – zijn  eigen  spoor  in  het  onderzoek  te  trekken.  Sterker  nog,  hij  kon  hiervoor  in  zijn  hiërarchische  lijn rekenen  op  steun  en  sympathie.  Dat  zo  de  eenheid  en  dus  de  voortgang  van  het  onderzoek  nog ernstiger  werden  bedreigd  dan  in  december  al  was  gebleken  realiseerde  zich  op  het  hoogste  niveau kennelijk niemand. Het blijkt hier in elk geval op geen enkel moment in deze periode als een probleem te  zijn  gezien.  Anders  had  Gonsalves  in  de  overlegvergadering  met  de  minister  van  Justitie  van  15 januari  1997  toch  nooit  beweerd  dat  het  onderzoek  organisatorisch  goed  geregeld  was.  Had  ook  hij zich niet in slaap laten sussen door (veel te) positieve geluiden die hem van onderop bereikten? Hoe dan  ook,  op  deze  manier  werd  de  noodzaak  van  een  ingrijpender  en  daadkrachtiger  sturing  van  het onderzoek door of vanuit het college vanzelfsprekend niet gevoeld. En ook niet de noodzaak van een eendrachtige  sturing,  ook  al  bleef  Docters  van  Leeuwen  rechtstreekse  contacten  onderhouden  met zowel   Zwerwer   als   Snijders.   Holthuis   zag   dit   probleem   wel   maar   zag   er   gegeven   de   bestaande (machts)verhoudingen  geen  oplossing  voor  die  voor  hem  aanvaardbaar  was.  Met  de  vuist  op  tafel slaan  was  wellicht  nodig  geweest,  maar  dit  wilde  hij  persé  niet.  En  die  ene  keer  dat  hij  op  een zachtzinnige manier Docters van Leeuwen duidelijk liet blijken het er niet mee eens te zijn werd hij zelf op een hardhandige manier gekapitteld. In dit stadium dreigde het gehele onderzoek te desintegreren. De enige die gaandeweg wellicht nog enig overzicht had, was Docters van Leeuwen: hij was de enige die praatte met iedereen, ook al gebeurde het met de één frequenter en intensiever dan met de ander.

    fort2_8

    72 analyse  van  de  CRI  van  de  uitkomsten  van  het  Fort-onderzoek.  Er  zou,  zo  werd  medegedeeld,  een startverbaal  worden  opgemaakt  en  een  plan  van  aanpak  worden  opgesteld.  Het  college  besliste  dit onderwerp  voor  zijn  vergadering  op  29  mei  opnieuw  te  agenderen.  Welke  analyse  door  de  CRI  was vervaardigd  kan  overigens  niet  uit  de  notulen  worden  opgemaakt.  Er  is  in  elk  geval  ook  geen  stuk bijgevoegd  dat  de  neerslag  van  deze  analyse  zou  bevatten.47  Van  belang  is  verder  dat  Ficq  in  deze vergadering te berde bracht dat hem in de loop van zijn doorlichting van het openbaar ministerie in het bijzonder   was   opgevallen   dat   de   interregionale   samenwerking   vaak   (was)   misgegaan   doordat   er onduidelijkheid  bestond  over  de  verantwoordelijkheidsverdeling.  In  de  notulen  werd  hier  wat  laconiek aan toegevoegd dat het college het gewenst (achtte) dat er snel duidelijkheid kwam over dit punt. Het koppelde hieraan wel de beslissing dat waar het ging om de overdracht van informanten of infiltranten nog  in  juni  1996  zou  worden  gesproken  over  de  handleiding  die  dienaangaande  door  het  Landelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (LBOM) was vervaardigd.48 In februari 1999 maakte de CRI een zogenaamde “tijdlijn” met betrekking tot de activiteiten die zij vanaf    het    begin    had    geleverd    aan    de    post-Fort-vervolgonderzoeken,    ten    behoeve    van    een bijeenkomst met Steenhuis op de 17e  van  die  maand.  In  deze  nota  beantwoordden  de  (onbekende) auteurs  eerst  de  vraag  waarom  juist  hun  dienst  zo  nauw  was  betrokken  bij  deze  onderzoeken.  Hun beknopte  antwoord  was:  “de  vanaf  het  begin  opgedane  kennis  en  het  geconfronteerd  worden  vanuit de functie NCID (de nationale component van de criminele inlichtingen diensten die is ondergebracht bij   de   CRI,   rapporteurs)   met   gegevens   uit   landelijke   registraties”.   Verder   werd   er   in   de   tijdlijn aangestipt  dat  de  dienst  –  concreet  De  Wit  en  Schouten  –  op  16  mei  1996  een  presentatie  had gegeven voor Gonsalves en Holthuis.49 Hierin waren volgens dit document de volgende onderwerpen aan de orde gekomen: — “Mot-meldingen J.; — Rol J./Van V./L.; — Transporten cocaïne met marihuana (parallel); — Verdiensten info’s/regie minimaal 100.000.000,- voor alleen al containertraject (marihuana)”. Blijkens  deze  zelfde  tijdlijn  werd  een  soortgelijke  presentatie  op  29  mei  1996  gehouden  voor  de procureurs-generaal.  Wie  van  hen  hier  daadwerkelijk  bij  aanwezig  was  vermeldt  dit  document  niet.50 Uit andere stukken kan evenwel worden opgemaakt dat deze presentatie – in het bijzijn van Holthuis – is  gehouden  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  op  die  dag.  Op  de  agenda stond toen onder meer de stand van zaken betreffende het plan van aanpak inzake de strafrechtelijke onderzoeken  naar  aanleiding  van  de  Commissie-Van  Traa  en  het  rijksrecherche-onderzoek  naar  de CID Kennemerland. Deze  presentatie  was  kennelijk  vooral  gebaseerd  op  CID-berichten  en  op  transportdocumenten en   verklaringen   over   vervoers-   en   reisbewegingen.   Zij   werd   gegeven   aan   de   hand   van   enkele summiere  schriftelijke  analyses  van  de  beschikbare  informatie  en  van  een  aantal  analyseschema’s. Een   samenhangende   en   indringende   rapportage   over   de   mogelijke   toedracht   van   de   betrokken drugshandel is er – in die tijd – dus niet gemaakt.51 Holthuis bekeek deze presentaties/analyses zo52:                                                 47 Een   dergelijk   stuk   is   overigens   in   het   geheel   niet   aangetroffen   in   de   dossiers   die   door   ons   zijn   geraadpleegd. P. Schouten heeft ons achteraf evenwel de stukken overhandigd die werden gebruikt bij de presentaties die later in mei door hem en J. de Wit werden verzorgd voor (het college van) procureurs-generaal en H. Holthuis. 48 Uittreksel collegevergadering d.d. 15 mei 1996 (B7). 49 In andere bronnen is sprake van 14 mei 1996 in plaats van 16 mei 1996. 50 Tijdlijn  van  de  Divisie  Centrale  Recherche  Informatie  (februari  1999;  precieze  datum  onbekend)  (B1).  Hier  zij  bij vermeld   dat   F.   Teeven   en   J.   Valente   in   een   nota   van   4   juli   1995   aan   J.   Vrakking   over   de   voortgang   van   het rijksrechercheonderzoek  (bedoeld  is  het  Fort-onderzoek,  want  de  nota  werd  geschreven  naar  aanleiding  van  overleg met  Zwerwer  en  Pijl)  en  de  lopende  onderzoeken  te  Amsterdam,  schreven  dat  het  noodzakelijk  was  om  onder  meer onderzoek te doen naar de “bankrekening(en) van de familie J.” (E1). 51 De onderhavige stukken zijn ons door P. Schouten ter inzage gegeven. 52 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.

    << oudere artikelen  nieuwere artikelen >>